VERHALEN

DE VLOEK (1999)

Evenals in zijn romans laat Hans Dekkers in deze verhalen drogbeelden, hersenschimmen en obsessies een doorslaggevende rol spelen in de levens van de hoofdpersonen. Een ex-bokser valt ten prooi aan achtervolgingswanen, terwijl hij gekluisterd ligt aan een ziekenhuisbed. Een palingstroper ziet uit het water het monster opduiken dat zijn vrouw en zwager in zijn geest hebben gebaard. Een priester is gefascineerd door het kwaad, maar raakt verlamd wanneer hij er daadwerkelijk mee wordt geconfronteerd. Zes verhalen zijn op het leven en werk van een schrijver geënt: Anton Tsjechov, Thomas Wolfe, Malcolm Lowry, Djuna Barnes, Jean Genet en Marcellus Emants. En al deze verhalen lijken opgevist uit een geheimzinnige koffer, die de schrijver in zijn jeugd gevonden heeft in een kruipruimte: een doos van Pandora? Hans Dekkers ontvouwt een waaier van zeer uiteenlopende, beklemmende werelden.

‘De vloek’ werd genomineerd voor de Halewijnprijs

 

DE PERS

‘Het schrijverschap van Hans Dekkers ontwikkelt zich zoals het in veel van zijn verhalen toegaat: verrassend en veelzijdig. (...) Soms doen zijn verhalen me denken aan het absurdisme van de vroege Hermans, soms aan het schokkende realisme van de jonge Wolkers, maar in de eerste plaats is hier een schrijver aan het woord die verhalen weet te vertellen die door stijl en inhoud van begin tot eind boeien.’

(Frans de Rover, Vrij Nederland)

‘Groot literair talent. (...) Het zijn allemaal meesterlijke, korte prozastukken die op een heel gevoelige manier de betrekkelijkheid van ons bestaan verbeelden. Prachtig om te lezen.’

(Ingrid Hoogervorst, De Telegraaf)

‘De “vloek” van het dwangmatig precies waarnemen, waarmee ook de auteur van deze bundel is behept, is voor een schrijver een zegen. (...) De vloek is een bundel met bijzondere verhalen.’

(Aleid Truijens, De Volkskrant)

De vloek is een prachtig boek.’

(Koen Eykhout, De Limburger)

‘Een puntgave stijl die twintig verhalen wordt volgehouden.’

(Sander van Vlerken, De Gelderlander)

‘Boeiende verhalenbundels verschenen er van Joost Zwagerman (Het jongensmeisje) en Hans Dekkers (De vloek). Vooral de laatste wist mij te imponeren met technisch zeer knap geschreven verhalen: geestig, eigenzinnig en spannend.’

(Arie Storm, Snoecks)

De vloek van Hans Dekkers is een intrigerende verhalenbundel met rake beschrijvingen, beklemmende situaties en met niet te miskennen literaire aspiraties.’

(Christiaan Hemelaer, Vlabin-VBC)

VIER SCHRIJVERSVERHALEN
Jean Genet.jpg
over Jean Genet
over Malcolm Lowry
over THOMas wolfe
over Marcellus Emants
 

uit: De vloek

CHLOOR VOOR DE ZIEL

over Jean Genet

Jean Genet.jpg

De vuiligheid terwille van de vuiligheid: dat is mijn muziek. Mijn rochels en zwadders zijn mijn diamanten. De geur van rotte vis is mijn parfum. En als er een mooie drol uit mijn poepgat glijdt, dan kreun ik van genot. Maar dat doet iedereen. Komt deze toon u bekend voor? Ik was er al bang voor. 
   Hoe komt het dat ik weer tot u spreek? Ik, die al in 1986 overleed en van wie niet veel meer over is dan een paar goudkleurige botten op een verlaten begraafplaats in Marokko? Waarom heb ik deze onbekende uitgekozen om als spreekbuis te dienen, een man die niet eens van mannen houdt en nog nooit een misdaad begaan heeft? Iemand die mijn werk niet eens goed kent en die geen Franse zin kan lezen zonder een woordenboek te raadplegen? Waarom ik spreek? Ik vermoed uit verveling. En waarom via deze spreekbuis? Omdat hij er niet toe doet. De spreekbuis is voor ons overledenen als de microfoon voor de zanger. We hebben hem soms nodig, maar hij is in wezen onbelangrijk. Hij is mijn slaaf en onderwerpt zich aan me. Hij weet niet waarom. 
   In de gevangenis waarin ik thans verblijf, herinnerde ik me een voorval. Met het zeer trage tempo dat me nu eigen is, liet ik het tot me doordringen, proefde ik het aan alle kanten en besloot ik het alsnog door te geven. Op deze plaats zijn geen mensen aan wie ik een verhaal zou willen vertellen. Uiteraard zijn hier geen mooie jonge moordenaars; mijn helden Pilorge, Weidmann en Ange Soleil branden in de hel, ver weg en als voorheen onbereikbaar. Ik had het verhaal natuurlijk kwijt gekund aan de nichten en flikkers, waarvan het in deze andere wereld stikt (velen uit nood, omdat hier weinig vrouwen terechtkomen, slecht als ze zijn) en die altijd op een roddel of een smeuïge anekdote uit zijn, maar vandaag heb ik geen zin in hun valse belangstelling en voortdurende interrupties. Omdat het Eeuwige in me binnengedrongen is, ben ik af en toe allergisch voor hun broosheid. Vreemd genoeg lijken ze me hier meer aan bederf onderhevig dan in hun aardse bestaan. Hun geest fladdert rond zonder enig doel. Ze zijn wispelturig en grillig, deze efemeriden van de Eeuwigheid. Ze lijken op de vrouwen uit de coterietjes bij Proust. De enige die er zijn aandacht een beetje bij kan houden is de Opperpooier, bijgenaamd Heilig Hart. Als hij in de buurt is, dan glijdt mijn hand in mijn kapotte linkerbroekzak, want hij is de grootste bink die hier rondloopt. Maar bij hem hoef ik niet aan te komen, want hij kent alle verhalen al. In deze ultieme ballingschap, in deze bezielde leegte, zwerven alle verhalen rond, als doorzichtige zeepbellen die knappen als je ze wilt vastpakken. Verder is er niets. Het hemelruim wordt op deze hoogte niet meer gekliefd door vliegtuigen waarin jonge piloten tegen de zon in turen, met doodsverachting in hun ogen. Ze zouden levend geroosterd worden in hun smeltende machines. 
   Het moet in een onderkruiperig jaar geweest zijn. Ik was net hersteld van een griep. De drank smaakte naar echt vergif. Het was in een periode dat ik geweldig veel vlees at, soms wel een kilo per dag. En dat terwijl ik nooit veel gegeten heb. Sartre zou er een oorzaak voor gezocht hebben, misschien dat het me op dat moment aan ander vlees ontbrak. Inderdaad: op het altaar van mijn honger celebreerde ik voortdurend in alle eenzaamheid mijn wellust. De liefde van de aartsengel die ik najoeg bleef steken in mijn fantasie, als een draadje vlees tussen twee kiezen. Ik wrikte en duwde, maar het kwam niet los. Hij heette Leviathan en had haar over zijn hele rug. Met waterstofperoxide had hij zijn rattenkop volledig ontkleurd. Mijn vlees werd rauw van hem. Ik fantaseerde dat hij op zijn buik in het water lag en dat ik hem voortduwde naar de kust, terwijl ik boven op hem lag als op een vlot. Nadat de golven ons op het strand van een eiland hadden geworpen, strekte hij zich vermoeid op zijn rug uit. Een aangespoelde zeerob. Ik nam zijn ijskoud geworden lid in mijn mond om het te warmen. Hij schonk me weldra zijn blanke ambrozijn. 
   Omdat hij me geen blik waardig gunde, dit witte dier, had ik mijn droom beter kunnen afschudden, maar het toeval wilde dat ik iets in zijn kielzog (waarin ik me altijd bevond, op onopvallende afstand) vond dat hem dierbaar was en waardoor ik hem in mijn macht kon krijgen. Het vreemde voorwerp waarover ik het heb, was een vergulde stiletto in de vorm van een zeemeermin. Hij had het op een kermis gewonnen als de hoofdprijs bij een bokswedstrijd en koesterde het als een relikwie. In veler ogen was het voorwerp groter dan de bezitter geworden (wat zijn eigen schuld was, aangezien hij er voortdurend mee pronkte), hij werd ermee aangeduid: de man met de gouden zeemeermin. Wat op zijn beurt weer leidde tot misverstanden, omdat men eruit opmaakte dat hij een hoogblonde vriendin had. Nadat ik het mes gevonden had, wachtte ik een paar dagen. Het gaf me een onvoorstelbaar gevoel van macht. Als ik het uit mijn zakdoek haalde en ernaar keek, rilde ik van een heilige ontroering zo dicht bij mijn engel te zijn. Via dit goud waarin als opgekropte woede een scherpte verborgen zat en dat de belofte van onvoorstelbaar mooie steekwonden in zich droeg, lonkte ik al naar de rechtmatige bezitter, die het terug kon krijgen mits hij de eerlijke vinder erbij nam. Ik vreesde dat alles wat ik met dit werkelijk bestaande voorwerp in verband bracht, belachelijke verbeelding was, een bepoederde onwaarheid. Toen nam ik me iets voor dat huiveringwekkend was en dat zelfs nooit in mijn openhartige boeken of toneelstukken terechtgekomen is: als Leviathan het wapen zou terugnemen zonder mij, dan zou het hem doden. Dat was mijn magische formule, een bezwering die ik keer op keer uitsprak. 
   Een informant verklapte me dat Leviathan door het verlies in een steenachtige droefenis gedompeld was. 
   ‘Jean, hij is uitzinnig van verdriet.’ 
   Spoken van ontzetting over zijn kwijtgeraakte zeemeermin achtervolgden hem, alsof hij een grote liefde verloren had. Zo zijn de engelen. Uiteindelijk houden ze er vulgaire gevoelens op na. Ze zijn niet in staat iets in zijn juiste proportie te zien. 
   Met de gouden fetisj op zak onderging ik mijn nachtelijke wandelingen als een doopsel, een inwijding. Alles kon gebeuren. Achter elk gordijn dat zachtjes in een open raam bewoog, kon een eruptie van geweld uitbarsten. Als een uil gleed ik door de straten, geluidloos en alles opmerkend. Mijn macht over Leviathan breidde zich uit met de hoek die ik omsloeg en ik drong in hem binnen als de Heilige Geest in de apostelen. Ik voelde hem al tussen mijn flanken. Hij kon niet meer ontsnappen. Ik werd opgelicht en als een wolk dreef ik boven de stad. Precies in het zenit van mijn bestaan glinsterde de gouden ster van mijn macht, alsof het mijn ziel was. 
   U begrijpt dat deze tijd voor mij gevuld was met een mengsel van verwachting en wanhoop. Mijn hersenspinsels over Leviathan namen groteske vormen aan, waarbij vergeleken de meest gruwelijke Japanse martelprenten kinderfantasieën waren. Met in mijn ogen de Droom van Bezit die - zoals ik wel wist - als ze vervuld wordt, ontluistering betekent, jakkerde ik kriskras door de mij bekende buurten. Zelfs als het me niet mee zou zitten, dan lag er in ieder geval een weergaloos drama in het verschiet. 
   ‘Genet is in de wolken,’ zeiden mijn vrienden. 
   ‘Genet voert iets in zijn schild.’ 
   ‘Genet zal een grote fout begaan.’ 
   In de straten, als in het lage hout van een ondoordringbaar bos, had ik mijn strik geplaatst en Leviathan zat er met één poot in vast. Het mes... Als hij niet... Ik dronk de nachtelijke wind in als wijn en werd dronken. Toen was de tijd rijp, ineens, ik voelde het. 
   Ik kan u verzekeren dat mijn verhaal nog zo dom niet was. De avond was al ver gevorderd. Het was benauwd. We zaten op zijn gigantische zolderverdieping, minstens tien meter uit elkaar. Zijn ademhaling, die ruiste in de stiltes, was van een beest. 
   ‘Wie heeft hem dan?’ vroeg hij ongeduldig. 
   ‘Dat kan ik niet zeggen. Hij is gevaarlijker dan alle zwijnen en adders van de stad bij elkaar.’ 
   ‘Waarom doe je dit?’ 
   ‘Ik heb nog een appeltje met hem te schillen. Hij heeft me een keer verlinkt.’ 
   ‘Moet je geld?’ 
   ‘Nee. ’t Is alleen genoegdoening. En ik hoorde dat het verlies je aan het hart ging. Mij zegt het niets, dat ding. Is ’t veel waard?’ 
   Hij haalde zijn schouders op. 
   ‘Weet ik veel.’ 
   Ik verzekerde hem dat ik de stiletto binnen twee weken in handen kon krijgen. Om geen gevaar te lopen zou ik gedurende die tijd bij hem moeten onderduiken. Hij stemde toe. 
   ‘Het is hier groot genoeg,’ zei hij. 
   De daaropvolgende dagen werd alle stof van mijn ziel geblazen. Naakt en gelukzalig lag ze in de volle zon van Leviathans bruutheid en geilheid te baden, totdat ze zo roodverbrand was dat ik haar moest balsemen met een dikke laag vet. Om me te beschermen. Maar daarna wilde ik opnieuw de volle rauwheid en puurheid en waste ik haar weer schoon. Zo ging dat een poos door. Het beest werd ongedurig. Het was niet zijn gewoonte zo langdurig een ander wezen in zijn hol te dulden. 
   ‘Zeg, voer je nog iets uit om mijn zeemeermin terug te krijgen of loop je hier alleen maar achter mijn kont aan?’ 
   ‘Geduld, schat. Ik doe mijn best.’ 
   Toen de zaak op de spits gedreven dreigde te worden, kwam ik met de stiletto op de proppen. Ik had hem in cadeaupapier verpakt, maar Leviathan kon het niet waarderen. Hij scheurde het pakje open en borg het mes weg. 
   ‘Bedankt. Nu kun je weer vertrekken.’ 
   Hij gaf me een paar honderd frank. 
   ‘Nog twee dagen,’ zei ik. 
   Hij raakte me niet meer aan. De eerste de beste avond nam hij een zwarte man mee naar huis en ze bedreven zo luidruchtig de liefde dat ik de straat op vluchtte. Het leek of ik niet meer bestond. Toen ik ’s nachts terugkwam, lagen ze in elkaars armen te slapen. Ze hadden champagne gedronken. Het onschuldige Witte en het onschuldige Zwarte Lam. Ik bedacht hoe mooi het gouden mes zou steken in de donkere huid die Leviathan erbij leek te hebben gekregen. Een ranke ciborie op een zwarte altaartafel. Tijdens de offerande werd er devoot gezongen door een castratenkoor. 'Veni, Creator Spiritus.' Extase van stromend bloed. Altaargeheimenis, verzoening. Ik zocht in Leviathans broekzakken. Toen ik het vond, huiverde ik. Ik woog het op mijn hand. Het lemmet schoot uit het heft. De schoonheid van de mogelijkheden die het mes in zich droeg, ontnam me mijn verstand en wil. Ik hoorde hen diep ademhalen. Geluidloos sloop ik dichterbij. Ik stond bij het matras waarop ze lagen. Ik rook hun zweet. Toen ik over hen heen boog, zag ik iets uit hun lichamen opstijgen, een onstoffelijke substantie die exact de vorm had van hun omstrengeling op het matras. De substantie, een serene schaduwwolk, loste op anderhalve meter hoogte op in een nevel en bleef voor mijn ogen hangen. Loom hief ik mijn arm op en stak. Er liep een heet straaltje zweet in mijn hals. Ik verzocht de goden, maar mijn arm viel slap naar beneden. Leeg, als een ontmande, keerde ik me om en frommelde het mes terug in de broekzak. 
   Toen ik de volgende dag niet van de bank kwam en niet op Leviathans vragen en daarna ook niet op zijn geschreeuw reageerde, verliet hij het huis. Een halfuur later was hij terug. 
   ‘Als het allemaal zo erg is, maak er dan een eind aan,’ zei hij. ‘Je lijkt wel een wijf.’ 
   Hij gaf me een buisje gardenal dat bij mij ogenblikkelijk de hang naar theater opriep. Naar wel te verstaan dat theaterstuk dat iedereen één keer in zijn leven opvoert en dat altijd onherroepelijk het laatste is. Het bezit van het buisje was zoiets als het verwerven van een toegangsbewijs voor de voorstelling die altijd uitverkocht was. Het gaf een bevoorrecht gevoel, maar ik heb er niets van genomen. Ik ben weggegaan en heb hem nooit teruggezien. Jaren later hoorde ik dat hij aan een hersenbloeding was bezweken. 
   Ooit schreef ik dat ik niet van een bepaald soort geschiedenissen houd; ik bedoelde de geschiedenissen die het levensverhaal van een mens onthullen. Ik schreef: ze komen tevoorschijn uit mijn ogen. Hoe mijn ogen nu zijn, weet ik niet. Er zijn hier geen spiegels. Waarschijnlijk zijn mijn ogen twee slierten oude wierook en verdraagt geen levend mens hun blik. Bovendien: dit is geen geschiedenis, maar een verhaal. 

Gevangenis der Heerlijkheid, 1994

uit: De vloek

Het vuur van eden

over Malcolm Lowry

Papa Legba, ouvri barrière pour moins, ago-é; 
Papa Legba, ouvri chemin pour li, ago-é.

Haïtiaans volksliedje

Op oudejaarsavond liep de Donald S. Wright  de haven van Port-au-Prince binnen. Op de kade stonden mensen in witte tropenkleding te zwaaien. Een man die lui over de reling hing, slaakte een kreet toen hij de pijp uit zijn vingers liet glijden. Verdwaasd keek hij naar de plek waar het ding, dat in het water diep beneden hem ineens op een kikkervisje leek, naar de bodem zonk. 
‘Je bent onverbeterlijk, Malcolm,’ zei de vrouw die op hem afkwam. 
Ze sloeg een arm om zijn middel. 
‘Is er iets dat je nooit verloren hebt?’
‘Mijn verstand in ieder geval niet,’ bromde hij. ‘Anders stond ik hier niet met jou te praten. Bah, wat een monsterlijke stijlfiguur toch, zo’n dubbele ontkenning.’
‘Wat heb je gedronken?’ zuchtte ze. 
‘In verwaarloosde akkers schiet het onkruid, dat verdelgd moet worden, wortel.’
‘Whisky of habanero?’
‘Horatius,’ zei hij.
Het was benauwd. Wolken muggen zwermden rond de scheepslampen. De passagiers mochten niet voor de volgende dag van het schip, zodat ze de jaarwisseling aan boord moesten vieren. Op het voordek verrezen luchtpijpen als reusachtige halve telefoonhoorns. Malcolm had voortdurend de neiging erin te roepen of eraan te luisteren om geheimen op te vangen die in het ruim van het schip gefluisterd werden. Hij trok zijn overhemd uit. 
‘Als je in je blote bast gaat lopen, zullen de muggen je vreselijk te grazen nemen,’ zei Margerie.
‘Ze doen maar. Misschien worden ze nog gelukzalig dronken van mijn bloed.’
In de verte, op het eiland, klonk tromgeroffel in de bergen. BOM BOM BOM bombombom BOM BOM BOM bombombom, steeds die zachte onheilspellende triool na drie luide slagen. Het drong met vlagen tot hen door, gedempt door de rimboe en verrafeld door een hete nachtwind.
‘Zie je de maan? Hoe groot hij hier is?’ vroeg ze. 
Ze legde haar hoofd op zijn schouder. 
‘En kijk naar beneden. Het water is van kwikzilver.’ 
Mijn god, ik moet een borrel hebben, dacht hij.
‘Ik ga even naar de accommodatie.’
Bij de pantryboy kocht hij een fles gin. Hij liep naar het verlaten achterdek en nam een paar diepe teugen. De drank liep over zijn kin en drupte op zijn borst. Grote witte vis... ik heb je uit de oceaan opgediept en gevangen... nog een slok levertraan voor de vitamines... Hij had het opstapje naar het achterdek gemist en struikelde. De vis glipte uit zijn handen. Toen hij overeind krabbelde, zag hij de in twee stukken gebroken fles. Caramba! Is er dan niets meer heilig? vloekte hij. De plas gin die zich over het dek verspreidde, had een geur van parfum. Levertranen. Plotseling zag hij gekleurde lichten boven de stad. Men was begonnen vuurwerk af te steken. Hij liep terug naar het voordek. Margerie wachtte op hem. Ze had ijswater en nootjes gehaald.

Grand Hotel Olaffson lag in de heuvels van Pétionville en keek uit op Port-au-Prince en de baai. De protserige Victoriaanse gevel was bekoekt met duivenpoep. Het zwembad leek een uitgeknipt azuurblauw rechthoekje in een enorm knalgroen gazon. Een jonge weduwe, die door iedereen met Sheelagh werd aangesproken, lag de hele dag vanaf een badhanddoek naar manvolk te lonken.
‘Een mannenverslindster. En ordinair is ze ook nog,’ zei Margerie. ‘Hoerig. Een soort Keetje Tippel.’
Un poco Keetje Tippel. Pocokaatjetepel,’ grinnikte Malcolm. 
‘Sheelagh, mijn hartediefje, mijn engel,’ sprak hij haar toe, toen ze haar passeerden.
‘Val dood,’ gromde de weduwe. 
Malcolm zag de Amerikaanse uitgever die hij gisteren ontmoet had, met een cricketpet op in het grasveld liggen zonnebaden. De man had altijd een pocket van Moby Dick op zak. Hij had een kort gedicht van zijn lievelingsdichter James Shirley uit het hoofd opgedreund. He hath at will more quaint and subtle wayes to kill. Overal op het gras zaten witte duiven met robijnrode ogen, de boosdoeners die het bolwerk van wansmaak waar ze logeerden, bezoedeld hadden. 
‘Daar komt Phito aan,’ zei Margerie.
Philippe Thoby-Marcelin was een Haïtiaanse dichter die ze onlangs, door tussenkomst van twee dames uit het hotel, ontmoet hadden en met wie Malcolm het goed kon vinden. Het was een lange, magere man met een bruine kalende kop. Hij droeg een wit wijdzittend overhemd en een kaki broek, die opgetrokken was tot boven zijn heupen.
‘Hoe staat het met onze vereerder van de slangengod?’ 
Hij schudde Malcolm de hand. Ze gingen in het gras zitten. Margerie koesterde zich op haar rug liggend in de zon. Ze vouwde haar handen onder haar hoofd en sloot de ogen.
‘Je moet me alles vertellen,’ zei Malcolm. ‘Hoe dood je bijvoorbeeld een vijand zonder van een wapen gebruik te maken?’
‘Er is één middel dat afdoende is,’ antwoordde Philippe.
‘Vertel het me, maar niet zo hard dat Margie het hoort.’
‘Margie heeft haar eigen middeltjes,’ zei ze. 
‘Je moet een aantal kledingstukken van je vijand bemachtigen. Zodra er iemand sterft, trek je het lijk die kleren aan en begraaft het op een geheime plaats. Dat vertel je aan je vijand. Hij zal het lijk moeten vinden om zijn kleren terug te krijgen, voordat het begint te verrotten, anders gaat hij eraan. Ik heb vele personen tijdens het zoeken krankzinnig zien worden.’
‘Ah,’ lachte Malcolm, ‘nu weet ik de ware reden waarom Margie sokken van me aantrekt als ze me wil sarren.’
‘Erg leuk,’ zei Margerie zonder haar ogen te openen.
‘Ik heb vanmorgen mijn broer Milo gesproken,’ zei Philippe. ‘Ik heb je verteld dat hij etnoloog is, maar hij is ook een praktizerende papaloi, een voodoo-priester. Ik denk dat we binnenkort een ceremonie in de binnenlanden kunnen bijwonen. En misschien kan hij er zelfs voor zorgen dat je door het vuur geïnitieerd wordt, zoals dat heet.’
Malcolm stond op. 
‘Dat zou fantastisch zijn. Ik popel van ongeduld. Laten we er in de lounge een op Papa Legba gaan drinken. Bewaker van de hemelpoort en god van de wegen die zich splitsen.’ 
Hij bukte zich en trok Margerie aan haar arm. 
‘Sta eens op, dame. Je lijkt met die zonnebril verdomme wel op Papa Nebo.’
‘Op wie?’ vroeg ze. 
Ze kwam overeind en klopte een paar grassprietjes van haar kleren.
‘Op Papa Nebo. Een hermafrodiet orakel van de doden.’

De ezels sjokten voort over het slingerende zandpad. De tocht terug door de rimboe duurde vier uur. Malcolm en Margerie klaagden over zadelpijn. 
‘Je mag niet afstappen,’ zei Philippe. ‘Dan kun je straks helemaal niet meer zitten.’
Ze passeerden groene suikerrietvelden. Tussen de pisang- en mangobomen zagen ze kolibries. Malcolm fotografeerde cactussen van wel acht meter hoog. 
‘In Mexico worden ze orgels genoemd,’ zei hij. ‘Ik denk vanwege al die tentakels die op orgelpijpen lijken.’
Milo, die voorop reed, wees op een boom waarin lappen stof hingen.
‘Dat is een heilige boom met kledingstukken van zieken. Soms worden er ook offerdieren ingehangen.’ 
Ze kwamen voortdurend ezels tegen die gevolgd werden door hordes kinderen met op hun hoofd gele kalebassen gevuld met bronwater. De lastdieren waren zwaar beladen met flessen, manden en kalebassen, die aan de zadelriem hingen. Het landschap van dichte mahoniebossen werd afgewisseld  door open velden en af en toe een kleine nederzetting van lemen hutten met strooien daken. In een van de gehuchten zaten de bewoners rond een vuurtje waarop vlees werd geroosterd. Ze waren overduidelijk dronken van de clairin, de witte rum, waarvan de flessen van hand tot hand gingen. Een groepje vrouwen zong in het Creools een liedje.
Ogoun Badagris, ou général sanglant;
Ou saizi clé z’orage, ou scell-orage;
Ou fais kataou z’eclai.

Milo vertaalde: ‘Ogoun Badagris, jij bloedige krijger, jij hebt de sleutel van de stormwolken in bewaring en hebt ze in je macht; jij maakt donder en bliksem.’
‘Mooi,’ zei Malcolm. ‘Doet me aan Wagner denken. Teutoons.’
‘Het is uiteindelijk allemaal uit Afrika afkomstig. In de zeventiende en achttiende eeuw werden er gemiddeld tienduizend zwarte slaven per jaar uit Afrika gehaald en ze hebben hun oorspronkelijke godsdienst altijd behouden. Tegen alle verdrukking in.’
Niet ver van het hotel namen Malcolm en Margerie afscheid van de twee broers die de ezels wegbrachten. Te voet vervolgden ze hun weg. Vrouwen met grote rieten hoeden verkochten voor hun huizen groenten, fruit en houtsnijkunst. De pui van een huisje was met letters beschilderd: 

BRIC-A-BRAC

maison d’affaires

MELIMELO achat et vente

Ze gingen naar binnen en Margerie kocht twee drinkbekers waarop dansende mensjes geschilderd waren.
Op het terras van het hotel, dat door de avondzon purperrood werd gekleurd, zat de uitgever met de cricketpet. Hij nodigde hen uit een glas wijn met hem te drinken.
‘Ik heb vanmiddag op parelhoenders gejaagd,’ zei hij. ‘Ik heb er genoeg neergehaald om het hotel een paar dagen te voeden. Maar waar zijn jullie de afgelopen twee dagen geweest?’
‘We zijn net terug van een werkelijk buitengewoon spectaculaire trip,’ zei Malcolm. ‘Phito en zijn broer hebben ons mee de binnenlanden ingenomen naar een plek waar nog nooit toeristen zijn geweest.’
‘Jullie hebben toch niet aan voodoo gedaan, mag ik hopen?’
‘We hebben een ceremonie met bloedoffers bijgewoond.’
‘Met alles erop en eraan?’ vroeg de uitgever. ‘Ik heb erover gehoord. Zwarte stieren met brandende kaarsen op hun horens en al dat soort dingen.’
‘Exact,’ zei Malcolm. ‘Maar dat was nog niet alles. Een hogepriester heeft beloofd me binnen afzienbare tijd te initiëren. Ik vermoed dat hij in mij een verwante geest herkende.’
De uitgever staarde hem verwonderd aan.
‘Ik heb gehoord dat het niet geheel ongevaarlijk is.’
‘Wat betekent gevaar, als je ingewijd kunt worden in de geheimen van de zwarte magie? Begrijpt u wel dat ik straks die parelhoenders van u uit de lucht kan laten vallen, alleen door naar ze te kijken?’
‘Onzin,’ zei de uitgever. ‘Misschien roze olifantjes, maar mijn parelhoenders, dat gelooft u toch zelf niet?’

Er lekte licht en muziek door de kieren van de houten keet. Van binnen kwam een druk gegons. Malcolm bleef staan voor de grote voorruit die geen functie meer had omdat erachter planken waren gespijkerd. Hij keek naar zijn weerspiegeling in het zwarte vierkant. MLOCLAM, zei hij. Hij duwde de deur open en ging naar binnen. Het gezelschap bestond zowel uit blanken als uit zwarten. Eén ding hadden ze in ieder geval gemeen: ze waren allemaal bezopen. Hij wrong zich tussen twee krukken aan de toog. Een Amerikaan met zwaarbehaarde armen liet een felroodgele salamander steeds even los op de bar om hem als hij een eindje wegschoot weer vast te grijpen, alsof het zo’n speelgoedje was dat je met een veer op kon winden.
‘Whisky,’ zei Malcolm. 
Hij tolde op zijn benen. Vanmorgen hadden Margerie en hij in het Centre d'Art van Port-au-Prince een expositie van primitieve Haïtiaanse kunst bezocht. In het gedrang van Amerikaanse bezoekers had hij haar weten af te schudden. De rest van de dag had hij in kroegen doorgebracht. 
‘Het zijn en blijven slaven,’ zei de Amerikaan met de harige armen tegen niemand in het bijzonder. ‘Voor hersenwerk hebben ze nooit gedeugd.’
‘Mag ik vragen over wie u het hebt?’ vroeg Malcolm. 
Hij nam een flinke slok van zijn whisky.
‘De zwarten natuurlijk. Wie anders? Het zijn net apen.’
‘Als ik uw armen bekijk, krijg ik eerder de indruk dat het van boom tot boom slingeren een bezigheid van úw voorvaderen was.’
De man keek hem nu voor het eerst aan, verbaasd. Hij had een bloeduitstorting in zijn rechteroog. 
‘Als ik het niet dacht,’ zei hij. ‘Een Engelse klootzak.’
‘Uw etnografische kennis is ook al niet alles,’ zei Malcolm. ‘Ik ben Canadees.’ 
De salamander ontsnapte uit de hand van de man en voordat hij hem kon grijpen, was het diertje van de bar geflitst en verdwenen. 
‘Godverdomme,’ riep de Amerikaan en sloeg hard met zijn vuist op de bar.
‘Maakt u zich niet druk,’ zei Malcolm. ‘Ze hebben hier vast nog iets anders te eten.’
De man draaide zich nu volledig naar hem om en keek hem lodderig in de ogen. Malcolm boog zich voorover zodat hun gezichten elkaar bijna raakten.
‘Wel sodeju.’ 
Een harige poot greep hem bij zijn overhemd. Malcolm gooide zijn gewicht een halve meter naar voren, zodat de man met kruk en al op de vloer viel. Toen de man hem bij zijn been greep, voelde hij een blinde woede in zich opkomen. Hij wist dat hij in staat was een biljarttafel van de grond te tillen, als hij kwaad werd. Hij tilde de man op en smeet hem tegen de houten lambrizering van de bar. Het kraakte. 
‘Hé, hé!’ riep de barman, maar Malcolm was al achter de bar. 
Hij graaide naar een fles en slingerde hem met volle kracht tegen de zijwand van de kroeg. De barman greep hem vast, maar hij sloeg de man zo hard tegen zijn borst dat hij kermend en naar lucht happend losliet en een paar stappen achterwaarts deed. Hij begon nu de ene na de andere fles uit de buffetkast te nemen en in het wilde weg rond te slingeren. Het oorverdovend lawaai van sneuvelend glas en de zich verspreidende alcohollucht maakte nog meer vernielzucht in hem los. Hij begon aan de verchroomde stangen van de biertap te rukken. Plotseling zat er iemand op zijn rug. Malcolm bukte zich om hem af te schudden, maar een ander greep hem bij zijn hoofd. Hij smakte tegen de vloer. Een aantal mannen zat als een kluwen op hem en hield hem in bedwang. Iemand trapte hem voortdurend in zijn maag. Hij kokhalsde en een golf lauw braaksel gulpte uit zijn mond.
‘De gendarmerie is er zo,’ hoorde hij de barman zeggen.

Het duurde een paar seconden, voordat hij begreep waar hij zich bevond. Hoelang had hij geslapen? Een uur? Twee? Hij dronk het laatste slokje witte rum uit de fles die naast hem lag. In het halfduister tuurde hij ingespannen naar de letters op het etiket: L’UNION FAIT LA FORCE. Zou Margie al alarm geslagen hebben, omdat hij twee dagen niet in het hotel was komen opdagen? Hier zouden ze hem nooit vinden. Hij keek door de opening van de hut naar buiten en zag een schijnsel van fakkels. Naast de plek waar hij op een oud matras lag, waren kokosnootschalen neergezet. Ze waren gevuld met olie waarin een brandend pitje dreef. Tegen de lemen wanden van de hutten aan de overkant zag hij bewegende schaduwen van menselijke gestalten. Hij stonk. Zijn huid zweette alcohol uit. Er kwam een man binnen.
‘Ah, Papa Théodore,’ zei Malcolm.
De man lachte. Hij bracht een volle fles clairin.
‘Over een halfuur komen we je halen,’ zei hij.
‘Ik ben er klaar voor.’ 
Toen Papa Théodore verdwenen was, trok Malcolm de kurk uit de fles en dronk gulzig van de rum. Hij kreeg de hik. Het kostte verschrikkelijk veel moeite, maar uiteindelijk speelde hij het klaar om voorovergebogen met zijn hoofd naar beneden hangend van de fles te drinken: het beproefde middel om van de hik af te komen. Het hielp. Opgelucht dronk hij weer in normale houding. Toen begon het trommelen. Nadat het een poos had aangehouden, hoorde hij vrouwengezang dat zijn hut naderde. Een kleine processie hield stil voor de opening. Mama Gouédé kwam binnen. Ze droeg een scharlakenrode jurk en een hoofdtooi die uit zwart- en roodgeverfde struisvogelveren bestond. Zonder iets te zeggen nam ze hem bij de arm en leidde hem naar buiten. Hij zag de grote volle maan boven de bomen aan de rand van de nederzetting. De processie zette zich in beweging. Voorop liep Papa Théodore. Hij hield een kalebasratel in zijn hand, waar een snoer van slangenbotjes omheen gedraaid was. Twee vrouwen aan weerszijden van hem kruisten vaandels boven zijn hoofd. De vrouwen in de stoet zongen klaagzangen. Toen ze het heiligdom binnengingen, zag Malcolm in het flakkerende schijnsel van kaarsen en olielichtjes schilderingen op de lemen muren. Er waren slangensymbolen en voorstellingen van de goden, die als gewone mensen afgebeeld waren. Papa Legba was een zwarte boer die een pijp rookte. Malcolm moest plaatsnemen op een krukje naast het altaar. Tegenover hem zaten de drie trommelaars. De middelste sloeg met een sleg op de grootste trom, de andere twee gebruikten hun handen. Hun duimen waren bedekt met boomhars; als ze ermee over het trommelvel schraapten, klonk er een angstaanjagend rollend gebrul. Malcolm zette de fles rum die hij meegenomen had naast zich neer. De gezangen en het getrommel bleven aanhouden, toen iedereen was gaan zitten. Hij merkte dat hij al een tijdje aan het meezingen was. Papa Théodore prevelde spreuken en maakte met maïsmeel magische tekeningen op de vloer. Drie grote cirkels besprenkelde hij met olie, wijn, water en as. Malcolm ontdekte op nog geen meter afstand van hem, op het altaar, een volle fles rum. Snel verwisselde hij hem voor de bijna lege fles die hij meegenomen had. Er werd een reusachtige kalkoen binnengebracht en overhandigd aan Mama Gouédé. Ze hield het wild fladderende beest bij de poten en de hals vast en begon een hysterische dans, opgezweept door de trommelaars die het ritme versnelden. Ze kon het in doodsangst verkerende dier nauwelijks houden en siste als een slang. Haar ivoorwitte ogen fonkelden in haar zwarte gezicht. Papa Théodore stond met zijn armen ten hemel geheven en door het gezang en getrommel heen riep hij bezweringen. Plotseling pakte hij een houten schaal van het altaar en liep op het barbaars rondwentelende paar toe. Mama Gouédé knelde de hevig tegenspartelende kalkoen tussen haar benen en probeerde zijn kop eraf te trekken. Het beest sloeg haar met zijn vleugels in het gezicht en vocht voor zijn leven. Toen het bloed eindelijk uit de hals spoot, ving Papa Théodore het in de schaal op. Malcolm huiverde en nam een paar slokken van de rum. Het gezang verstomde, de trommelaars onderbraken hun spel. Aan een touw werd een bok binnengeleid. Zijn horens waren met rode linten versierd. Een oude vrouw zette een wiegelied in. Papa Théodore sprak de bok zachtjes toe, terwijl hij de hoefjes met een sterk geurende olie zalfde. Daarna wenkte hij Mama Gouédé die een twijgje met groene blaadjes voor het dier hield. Hijzelf nam een machete in zijn handen. De bok tastte met zijn behaarde mondje de blaadjes af. Malcolm kon zijn ogen niet afhouden van de snorhaartjes op het oude vrouwenmondje en wilde het dier toeroepen niet van het vervloekte takje te eten. Toen de bok toch een blaadje tussen zijn lippen verfrommelde, zetten de trommelaars een waanzinnig geroffel in. Papa Théodore sneed de hals van de bok door. Mama Gouédé hield een kleine, uit een boomstam gesneden trog onder de gutsende wond. Iedereen was opgestaan en begon te dansen en zingen. Papa Théodore besprenkelde de menigte met het bloed van de kalkoen en de bok. Ook werden er porseleinen kommen met bloed rondgedeeld om van te drinken. Malcolm was opgestaan. Hij was duizelig. Papa Théodore tekende een kruis op zijn voorhoofd en bood hem een kommetje aan. Malcolm spoelde de bittere ijzersmaak weg met rum. Hij merkte dat twee mannen hem aan weerszijden ondersteunden en naar buiten leidden. Een stoet volgde hen. Sommigen waren tot razernij vervallen en moesten door anderen meegevoerd worden. Toen ze buiten kwamen, zag Malcolm dat men een kring van vuur had aangelegd. Hij werd de cirkel ingeduwd.
‘Dans! Dans!’ moedigde Mama Gouédé hem aan. 
Ze reikte hem de fles rum aan, zonder zelf de cirkel te betreden. Rond de vuurkring danste de schreeuwende en zingende menigte. Toen zag hij Papa Théodore dichterbij komen. In zijn handen hield hij de bliksemende machete. Het gekrijs werd harder en harder. Malcolm kreeg het gevoel of de grond onder hem wegzonk. Terwijl hij de fles leegdronk, verzamelde hij alle krachten die nog in hem waren. Het maanlicht flitste in het metaal van het offerwapen, nu vlak bij hem.
Daar ga je ouwe jongen, dacht hij. Hij stortte zich uit de vuurcirkel, baande zich een weg door de uitzinnige menigte en rende naar de bosrand. Hij zweette verschrikkelijk en zijn armen slingerden hoekig opzij en naar achteren, alsof het lamme vlerken waren. Slalommend verdween hij in het dichte bos.

 
 

uit: De vloek

Gargantua's nacht

over Thomas Wolfe

thomas-wolfe.jpg

Zijn gigantische lijf lag boven op de mollige en plakkerige Sylvia in het smoorhete kamertje van een bordeel in Brooklyn. De ventilator aan het plafond wiekte golven koele lucht over zijn rug en billen. Het zweet beet in zijn huid en hij had overal jeuk, omdat hij half opgevreten was door de luizen en muggen die zijn appartement bevolkten. Zoals vaker als hij klaargekomen was, kwamen herinneringen aan zijn familie in hem op. Zijn vader, de steenhouwer William Oliver Wolfe, trots te midden van uit graniet gehouwen lammeren, engelen uit Carrara en cherubijnen voor de graven van welgestelden. Marbles, Tombstones, Cemetery Fixtures.  Zijn broer Ben bij een hekje; de zon flonkert in de zilveren gesp van zijn riem. Ben, met zijn tedere minachting voor alles om hem heen, meer dan vijftien lange jaren geleden door de dood weggemaaid, toen zijn longen dichtklapten. Ben had het moeder nooit vergeven, dat ze tuberculoselijders in haar kosthuis had opgenomen. 
‘Ben je in slaap gevallen, Tom?’
Hij maakte zich van haar los en ging op de rand van het bed zitten.
‘Als je me de syf bezorgd hebt, dan zwaait er wat. Jullie moeten eens wat vaker naar de dokter.’
‘Wat weet jij daar nou van, Tom?’  
Sylvia ondersteunde haar hoofd met haar hand. Ze keek toe hoe Thomas zijn kleren aantrok.
‘Ik heb genoeg ellende meegemaakt om me over jullie op te winden.’
‘Maar je kunt het niet laten, hè? Je kunt het niet laten, hè Tom?’
‘Hou toch je mond. Ik word ziek van dat stupide Tom, Tom en nog eens Tom.’
‘Nou, nou,’ zei ze. ‘Zo kennen we elkaar toch niet?’
Zijn dronken vader, bonkend op de gesloten slaapkamerdeur van zijn moeder, terwijl hij zijn eerste, overleden vrouw Cynthia aanroept om hem bij te staan in deze moeilijke uren. En achter die beelden, steeds opnieuw en voortdurend, een sinistere verschijning, een geest, ravenzwart en met een gezicht vol slijk, een gezicht dat geleidelijk verandert in dat van Ben. 
‘Je zit toch niet in de problemen, hè Tom?’
‘Als ik door jou maar geen problemen krijg met de waterleiding.’ 
‘Wat bedoel je nou weer, Tom?’
‘Een lekkende kraan, schatje. Een lekkende kraan, begrijp je?’
Ze ging op haar rug liggen en zuchtte. Terwijl hij zijn sokken aantrok, kreeg hij medelijden met zichzelf en met zijn grote, onhandige lichaam dat halfnaakt vooroverhing. Hij dacht aan al de keren dat hij zijn sokken had aangetrokken nadat hij op een hoer had gelegen. En hij dacht aan de liefde die met elke zaadlozing uit hem leek weg te vloeien. Een onvruchtbare liefde die hij in leven probeerde te houden door het excessief en onophoudelijk fabriceren van woorden, zinnen, bladzijden, boeken, een bibliotheek. Zijn moeder beweerde dat zijn honger naar de letteren voortkwam uit het feit dat zij tijdens de zwangerschap zoveel boeken had verslonden. Zoals de moeder van de gulzigaard Gargantua tijdens haar zwangerschap in één maaltijd zestien mud, twee vaatjes en zes potten rolpens at. Waarna ze Gargantua baarde uit haar oor, omdat men haar onderste lichaamsopeningen met een samentrekkend middeltje had dichtgesnoerd vanwege de onophoudelijke werking van het pensgebraad op de endeldarm. Het praatje van zijn moeder mocht dan bijgeloof zijn, ook Thomas droeg in alle opzichten het blazoen der veelvraten. 
Hij stond op. 
‘Mijn vader had Nederlandse voorouders. Vandaar dat ik Rubensvrouwen weet te waarderen.’
‘Rubensvrouwen? Wat zijn dat, Tom?’
‘Vette mokkels, schat.’ 
Hij liep zonder haar te groeten naar de deur.
Toen hij buiten kwam, brandde de straatverlichting nog niet. Hij liep in de richting van Manhattan en stak de Brooklyn Bridge over. Het was alsof hij vanuit een diepe duisternis een zee van licht binnenging. Only the Dead Know Brooklyn. Nu het zo’n warme zomer was, zou hij zijn haren moeten knippen, maar hij hield ervan zijn lokken wild en onverzorgd te dragen. Zijn vrienden zeiden dat hij op Beethoven leek. De hitte van de zomer deed in hem het verlangen naar de winter ontbranden. Het Noorden met verblindende sneeuw tegen de bergen, het paarlemoeren ijs op de meren, koud licht dat tintelt op de strakke huid van je gezicht. Maar als de kou lang aanhield, verlangde hij weer naar het opulente Zuiden, het Oude Zuiden, met zijn wuivende katoenvelden, laaiende groene heuvels en rode beekjes, koninklijke rivieren en dieren in de loomheid van de namiddag. Hij snoof de ozonlucht op: New York. Hij kotste van New York. Van Broadway Lights, van het theater dat als een besmettelijke ziekte uit de zalen was gekropen en bezit had genomen van elke straathoek, van elk binnenhuistafereel, van de gesprekken in elk restaurant, van de glamour en glitter en reclameborden. Walgelijk snobisme. Er bestond niet één New Yorker die echt was. Ook Aline niet, altijd beschaafd, prinses van de theaterwereld, haar dunne zachte haar, haar goddelijke schouders, blik en ogen van De Vrouw, Aline, de enige echte, de bekietelde Joodse met een voortdurend zwellende en smachtende kittelaar, al was ze bijna twintig jaar ouder. Hij ging een bar binnen. Zolang er hoop is, zolang het vuur nog brandt. Gloeiende fakkel in mijn hart. Ik moet de dorst lessen, de dorst die de hoer in me heeft achtergelaten. Raak me niet aan. Ik ram iedereen door de muur. Kennen jullie me niet? En nu wil ik niets anders dan veel. Veel drank. Das Fest is noch nicht am Ende.
Hij dronk het glas dubbele whisky in één teug leeg. Een vrouw met een enorme bos uitstaand haar zat naast hem aan de bar. 
‘Communisme,’ zei ze. ‘Niemand heeft gelijk. Oost en West. Jij en ik. Het communisme is als een verhouding tussen man en vrouw.’
‘Ik zag James Joyce in Waterloo,’ zei hij. ‘Hij was met zijn familie en hij had een rode neus.’
‘Waar slaat dat nou op?’ 
‘Je hebt mooi haar. Het lijkt heel dik.’
‘Het ís heel dik. Voel maar.’
Hij nam een streng van haar lange donkere haar in zijn hand. 
‘Wie ben je?’ vroeg ze. ‘Je komt me zo bekend voor.’
‘Thomas Wolfe.’ 
‘Ik heet Rose.’
De geur van de East River. Ze liepen door donkere straatjes. Rose had een arm om zijn middel geslagen. Een paar glazen alcohol had elektriciteit in zijn bloed gebracht. Het was alsof hij van binnen verlicht was, hij voelde zich opgewonden en ontvlambaar.
‘Ik wil de rivier zien,’ zei hij. 
Voor een overvol, luidruchtig restaurant stond een dampende wagen beladen met grote blokken ijs. Op de stoep zaagde een zwarte man een van de immense klompen in tweeën. 
‘Weet je hoeveel woorden ik kan schrijven, in de tijd dat dat blok ijs nodig heeft om te smelten? Minstens vijfduizend,’ zei Thomas. ‘Er zijn nachten dat ik tienduizend woorden schrijf.’
‘Waarom zoveel? Waarom moet je altijd van die dikke boeken schrijven?’
‘Als je Amerika wilt beschrijven, dan heb je aan een paar woorden niet genoeg. Dan moet je een bibliotheek vol schrijven.’ 
Ze kwamen bij de rivier aan. Vlak bij het water gingen ze op een houten bank zitten. De brede zwarte stroom leek een massa teer die dampte en borrelde van de hitte.
‘Ik heb een broer gehad die Ben heette,’ zei hij. ‘Hij hoorde niet bij deze wereld. Overal waar hij kwam, was hij een vreemdeling. Zijn kreukloze, kraakheldere kleren en de hoed scheef elegant op het hoofd, de sigaret in de mondhoek in dat geel-marmeren gezicht, het eeuwige Oh, for God’s sake, als ik aan hem denk neem me mee terug naar dat huis waar we samen waren naar waar we samen in de tuin op een plaid lagen of naar het redactiekantoor van de Asheville Citizen waar ik je opzocht jij die de enige bent geweest die tegen moeder inging die wilde dat ze niet zo ridicuul was om me als een meisje te laten rondlopen met die bespottelijke vette Fauntleroy-krullen jij die in bed hardop de baseballverhalen van Ring Lardner las, je spreekt nog steeds in mijn slaap, ik droeg je mee naar Berlijn en München, naar het gistende Europa, overal verschijn je met je gezicht eerst vol slijk dan witgeel, marmer, soms denk ik dat vader je uit zijn marmer heeft gebeiteld om je neer te zetten op een godverdommes kerkhof, op het graf van een godverdomde kaktrut, zo eentje die mijn boeken leest en er geen talent aan ontzegt maar er een zekere beheersing een zekere vorm in mist, alleen maar dorre betweterij, en op haar graf het gezicht van marmer, dat bij elk onweer oplicht en teder minachtend glimlacht, Ben, ik schrijf steeds opnieuw een wal tegen je dood, tegen het hijgen, tegen het piepen, het bloed in de kom, tegen het stikken, tegen het stikken, tegen
Het volle licht viel op Bens gezicht waarop als twee vlammetjes rode koortsblossen gloeiden. Ben snakte naar adem, zijn mond stond open en hij zoog kleine hoeveelheden lucht in zijn ontstoken longen. Onzichtbare handen schroefden zijn hals dicht en wurgden hem langzaam. Hij had moeder verboden in de ziekenkamer te komen. Als ze een ketel heet water of schone handdoeken naar boven bracht, kwam ze niet verder dan de drempel van de deur. De godganse dag stond ze boven de potten en de pannen en de ketels op het fornuis. In haar asgrauwe gezicht glinsterden vochtig de starende zwarte ogen. Onafgebroken was The Old Kentucky Home met onheilspellende fluisteringen gevuld en Thomas zag hoe lelijk en weerzinwekkend alle gezichten werden, als het geluid van een raspende ademhaling beneden doordrong. Zijn vader, spuwend in het haardvuur. Het toenemen van de koorts. Het ijlen. Het zuurstofapparaat dat in grote haast bij de apotheek gehaald moest worden. Alle gezichten waren langzamerhand van graniet geworden, alsof vader van de hele familie replica’s in grijs had gemaakt. Later, toen Ben buiten bewustzijn was geraakt, ging moeder naast het bed zitten en pakte een hand van hem vast. En toen zag Thomas dat niet alleen haar gezicht van steen was. Haar hele lichaam was aan het verstenen en het beste van haar, datgene dat ze zesentwintig jaar eerder ter wereld had gebracht, stierf nu in haar. Het laatste ademen was begonnen. Thomas stond op om de rest van de familie te roepen. Vanaf de overloop verzocht hij hun naar boven te komen. Hij draaide zich om en ging weer de ziekenkamer in. Hij merkte dat hij al een poos aan het bidden was. Er was al heel lang geen God meer waaraan hij geloofde, maar een beklemmende angst deed hem steeds opnieuw de bezwerende formules spreken. De angst dat Ben verloren zou raken in een uitgestrekt en zwart rijk waar niemand zich om hem zou bekommeren. Wie U ook bent, wees vannacht goed voor Ben. Laat hem de weg zien... Wie U ook bent, wees vannacht goed voor Ben. Laat hem de weg zien... De anderen kwamen zwijgend binnen. Allen keken naar de schaduw waaraan moeder geketend zat. Allen keken naar haar vergeefse poging hem te beletten voorgoed te ontsnappen. 
Hij merkte dat hij tijdens het praten zijn broek onbewust had geopend en zijn geslachtsdeel, dat stijf was geworden, kneedde. Hij had dit vaker gedaan, vóór of tijdens het schrijven. Het bracht hem in een toestand van ongeremdheid, waarin de woorden als vanzelf kwamen. Hij legde zijn hand in de nek van Rose en drukte haar hoofd naar beneden. 
‘Toe maar schatje,’ zei hij. 
Toen hij haar had afgeschud, dook hij een restaurantje in, The Zeppelin, waar hij vaak met Aline was geweest. Er lag zaagsel op de vloer. Een dikke rook prikte in zijn ogen. Hij ging aan een tafeltje zitten en bestelde een bord oesters en een fles witte wijn. Toen hij eens met Aline dineerde, had ze gezegd dat hij alles wat hem voor ogen kwam verslond, voedsel, drank, maar ook mensen. Ze had het gevoel door hem leeggezogen te worden. Alles had ze hem moeten vertellen, tot de meest onbeduidende details van haar jeugd toe. Hij was er altijd van overtuigd geweest dat honger en liefde van één en dezelfde oerdrift stamden en zijn liefde voor haar was het grootst wanneer ze hem een maaltijd bereidde, wanneer hij haar observeerde terwijl ze achter het fornuis stond en hij de geuren van gebraden vlees, gekookte groenten en kruiden opsnoof. Hij had grappen gemaakt over welke onderdelen van haar het beste zouden smaken. 
‘Of zal het een ribstukje worden? Het is maar goed dat je man niet van je eet, anders bleef er minder voor mij over.’ 
‘Wat weet jij daarvan?’
‘Eet hij dan van je? Is dat zo? Dat heb je me nooit verteld?’
‘Maak je maar niet ongerust. Jij bent de enige die me afkluift en opslobbert.’ 
‘Ik ben een verwend gehemelte.’
En altijd weer de brandende jaloezie. De angst iets niet te weten. De angst een belangrijk detail over het hoofd te hebben gezien, waarmee ze zich had versproken. De angst dat ze iets achterhield niet omdat hij het niet mocht weten, maar omdat ze van geheimen hield. De angst dat ze al weer een andere minnaar had. Want ook zij was gulzig en onverzadigbaar als een jonge hond, al had ze zijn moeder kunnen zijn.
Het was alsof hij van haar koude lichaam proefde, toen hij de oesterschelpen leegslurpte. Hij leste zijn dorst met de koele witte wijn. Hoewel hij helder en nuchter was, kroop er een vermoeidheid langs zijn benen omhoog. Hij rekende af en verliet The Zeppelin. Langzaam wandelde hij in de richting van de Brooklyn Bridge. Boven hem de zwarte koepel, de wind, de sterren. Opnieuw de elektriciteit in zijn bloed, de opwinding. Alle Menschen werden Brüder, wo dein sanfter Flügel weilt. Hij stak de brug over en bereikte zijn appartement. 
Thomas keek naar buiten en zag de lichten van de stad, uitpuilende smachtende ogen in de onverschillige nacht. Maar hij wist dat het geen nacht was waarin de stad als een geweldig, verlicht schip dreef. Het was de dood van Ben, de miljoenvoudig herhaalde dood van Ben, een dood die de bron van alle eenzaamheid in zijn leven was geweest, een bron die alle andere bronnen had verstikt, hoe vol ze ook van bruisend leven waren geweest. Met zijn wijsvinger trok hij strepen door zijn weerspiegeling in de manshoge ruit. Hij sloot zijn ogen en hield zijn adem in. Om hem heen stegen stemmen op. Alleen de doden leven in Brooklyn. 

Marcellus Emants.gif

uit: De vloek

de niet-speler

over Marcellus Emants

Monte-Carlo, juli 1876.

De gasten van Hôtel de Londres, waar ik al twee weken logeer, zoeken mijn gezelschap omdat ze weten dat ik geld heb. Iedereen die bemiddeld is heeft hun belangstelling. Pousinsky is een van hen. Deze gepensioneerde generaal uit Petersburg heeft een gezicht als een aardbei die te lang is blijven liggen: grijs, verschrompeld en vol mee-eters. Zijn handen trillen voortdurend, alsof ze louis d’ors vasthouden die op de groene tafel ingezet moeten worden. Hij is mijn gids in het Casino. Monte-Carlo is vergeven van types als Pousinsky. Vrijwel alle mensen die ik ontmoet drinken te veel. Hoe verder de avond vordert, des te afstandelijker gedragen ze zich tegenover mij. Ik weet dat ze mij verachten omdat ik niet speel en matig ben met drank. Achter mijn rug noemen ze me laatdunkend ‘de Hollander die op zijn centen zit’. De generaal zei gisteren tegen mij: ‘Pas op dat het schrijven uw leven niet verdort.’ Ik schrijf hier overigens nauwelijks. Ik besteed al mijn tijd aan het observeren van hun gedrag. 

Misschien is het een vreemde afwijking, maar in deze omgeving van zelfzuchtige mensen begin ik meer van de voorwerpen om me heen te houden. Ik loop soms langs een fauteuil op mijn hotelkamer en laat vluchtig mijn hand over de leuning glijden. Het opengeslagen bed is anders dan thuis, ik kijk ernaar met vertedering. Ik herinner me een regenbui die ik staande aan het raam gadesloeg en waarmee ik in gesprek raakte. Deze kolonie van decadente verslaafden scherpt mijn besef dat ik net zo veel van de vlekken op de vensterbank houd als van de etentjes waarvoor ik uitgenodigd word. Onder de gasten van het hotel is een Turkse vrouw met louter gouden tanden. Ze wordt begeerd door vele mannen. Misschien willen ze haar mond vergokken. Ik vind haar afstotelijk. Maar ik heb sinds de dood van Christine, anderhalf jaar geleden, geen enkele vrouw meer aantrekkelijk kunnen vinden. De doffe eenzaamheid na mijn huwelijk, dat nog geen twee jaar heeft geduurd, heeft me immuun gemaakt voor al het vrouwelijk schoon dat hier aanwezig is. Het enige dat ik zoek is verstrooiing die me stof geeft tot schrijven. 

Hoe zeer verschilt dit gerieflijke verblijf van de barre tocht die ik vorig jaar door Lappmarken heb gemaakt! Natuurlijk, ook dat is een vlucht weg van Christine’s dood geweest. Ik moest mijn zinnen verzetten. Scandinavië met zijn woeste landschap en meren heeft me altijd aangetrokken. Toch pakte de reis anders uit dan ik had verwacht. Ik heb er op een schapenvel in een hutje geslapen, belaagd door hordes muggen. We hebben zelf een zalm moeten vangen omdat onze proviand tot een minimum was uitgedund, nadat de paarden op hol waren geslagen. Ik heb nog geluk gehad dat ik ongedeerd bleef, toen ik uit de wagen geslingerd werd. Mijn gezelschap bestond uit een stel onbehouwen kerels en we hebben veel te veel cognac gedronken. Dat soort mannen zie je niet in Monte-Carlo; hier kan alleen bij tijden een geest op hol slaan, als het ivoren balletje te vaak in het verkeerde vakje terechtkomt. 

Wat bepaalt voor een mens uiteindelijk de beslissing om de grote gok te wagen en daarbij zichzelf te ruïneren? Kun je de mensen onderverdelen in spelers en niet-spelers? Wie van mijn vrienden van de bierclub ‘Het Vlondertje’ zou zijn fortuin hier verspelen en wie niet? De generaal is ondanks al zijn gepest aan mijn adres de enige figuur voor wie ik respect heb. Hij is volledig zichzelf. Ik vergelijk hem wel eens met mijn overleden vader en kan geen enkele overeenkomst ontdekken. Zo’n vader zou een totaal andere persoon van me gemaakt hebben. Waarschijnlijk iemand met meer grilligheid en lef. Iemand die zou spelen. Soms beleef ik ineens momenten dat ik jaloers ben op die persoon die ik ook zou kunnen zijn. Ik begrijp heel goed dat ik moet observeren om mijn denkbeelden te kunnen uitwerken en me niet moet inlaten met allerlei emoties van inferieure aard, die door de vreemde atmosfeer in het Casino in me opborrelen. Ik moet schrijven over Monte-Carlo. Maar in deze wereld van mensen die op de toppen van hun zenuwen leven, heb ik soms het gevoel in het geheel niet te leven. Ik kom mezelf voor als een spook dat tussen de menigte door zweeft zonder dat iemand het opmerkt. Toch weet ik natuurlijk heel goed dat deze spelers slaven zijn van een ziekelijke aandrift die bijna altijd tot de ondergang leidt. Dit alles te overdenken en te toetsen aan mijn eigen gesteldheid is een beproeving die geen verlichting brengt. De gedachteloze, kortstondige opflakkering van een koortsachtig geluk waaraan deze spelers zich opbranden, heeft in zijn tragiek iets heroïsch. Komt mijn overtuiging te moeten schrijven niet voort uit mijn onmacht om te leven? 

Ik haal de fles met citroensiroop uit het buffet en schenk een bodempje in een glas. Nadat ik het heb aangelengd met water, drink ik ervan. Een glinsterende, kleverige draad heeft zich op de fles vastgehecht. Ik maak hem met een doek schoon. Daarna begin ik mijn toilet te maken. Ik zal Pousinsky in het Casino ontmoeten.

 

De geur van magnolia’s omringt het gebouw dat door iedereen de Bank wordt genoemd. Het protserige bouwwerk heeft voor mij iets van een tempel of kerk. De mensen die het bezoeken zijn gelovigen die zich aan een eredienst onderwerpen. De groene tafel is het altaar, waartot ze hun gebeden richten. In de leer van de rituelen word ik onderricht door de generaal. Bij de ingang staan gegalonneerde bedienden. Ik passeer hen met een knikje en ga naar binnen. 

Pousinsky zit op een sofa. Hij is in gesprek met een oudere dame met grijs haar. Ze is als alle vrouwen gehandschoend: ze draagt een parelgrijs paar waarmee ze drukke gebaren maakt. Het zwarte medaillon om haar hals bevat vast een geheim, zoals een foto van haar grote liefde die jong gestorven is. Ik aarzel Pousinsky aan te spreken, nu hij in een zo geanimeerde conversatie verwikkeld lijkt.

‘Marcellus!’ roept hij, als hij me opmerkt. 

Hij spreekt mijn voornaam altijd op zijn Italiaans uit. Ik ga op hen af en de generaal stelt me voor aan de vrouw die een Française blijkt te zijn. Daarna verontschuldigt ze zich en neemt afscheid. Ik ga naast Pousinsky zitten. Hij ziet er zeer opgewonden uit. Meteen begint hij op fluistertoon tegen me te spreken.

‘Ik ben stapelverliefd. En dat op mijn leeftijd! Ze wil natuurlijk niets van me weten. Ik ben niet respectabel. In Petersburg was er geen gewaardeerder en waardiger persoon te vinden dan ik. Maar hier... Die vervloekte déveine heeft bijna mijn hele kapitaal opgesoupeerd...’

‘Loopt u niet te hard van stapel?’ 

‘Natuurlijk, natuurlijk. Ik moet tot mezelf komen. Me beheersen. De zaken nuchter en tactvol aanpakken. U moet me helpen.’

‘Ik?’ vraag ik verbaasd.

‘U bent de enige die me niet belachelijk zult maken. U bent respectabel, u speelt niet.’

‘Laten we een eindje door het gebouw lopen,’ stel ik voor.

Het is druk in de Grote Speelzaal. De houten wanden van de immense ruimte weerkaatsen het opgewonden geroezemoes van de aanwezigen. Kroonluchters met witte bollen hangen boven de groene tafels, waar de mensen ingespannen naar het draaien van de roulette turen. Het geritsel van lange zijden japonnen en crinolines begeleidt als een ruis de stemmen van hen die over de veine of déveine van hun spel uitweiden. Ik heb gehoord dat een Poolse graaf gisteren zijn hele kapitaal heeft verspeeld, nadat in de ochtend het balletje elf maal achtereen op Manque is gevallen. Hij heeft de rest van de dag op Passe gespeeld, in de veronderstelling dat de kans daarop inmiddels onvoorstelbaar groot was geworden. Ook een aantal andere spelers heeft om dezelfde reden veel verloren. Als ik door de zaal loop, hoor ik links en rechts dat dit voorval de gemoederen nog in hoge mate bezighoudt. 

Pousinsky heeft tegen me beweerd over een bijna volmaakt systeem te beschikken. Door een onvoorstelbare opeenhoping van pech heeft hij echter veel verloren. Volgens de wetten van zijn systeem is datgene wat hem overkomen is het gevolg van een kans die normaal gesproken uitgesloten moet worden geacht. Het is me opgevallen dat vrijwel alle spelers er dit soort redeneringen op na houden. Ze spelen allemaal met een zo goed als feilloos systeem. En ze verliezen allemaal.

In de muziekzaal speelt het orkest. Ik bied de generaal een drankje aan.

‘Ik voel dat ik de komende dagen enorme bedragen ga winnen,’ zegt hij. ‘Zoiets voel je aankomen, het is een onverklaarbaar soort zekerheid. Ik heb het bij andere spelers gezien. Ze waren er zeker van dat ze gingen winnen en ze wonnen.’

‘Het is mij opgevallen dat een speler er zekerder van is te zullen winnen, naarmate de noodzaak om te winnen groter is. De mensen die het meest aan de grond zitten, verklaren altijd dat ze zeker gaan winnen.’

‘U weet niets van het spel. Daarom mist u de intuïtie die noodzakelijk is.’

‘Ik denk dat u wilt winnen om indruk te maken op de dame. Bent u er zeker van dat ze geen cocotte is?’

‘U beledigt me,’ zegt hij nors en kijkt de andere kant op.

‘Het spijt me. Ik wil u alleen maar waarschuwen. Er lopen hier zoveel vrouwen rond die alleen maar op geld uit zijn.’

‘Ik ben er zeker van dat zij niet zo is.’

‘Ik weet het goed gemaakt. Ik organiseer een dinertje waarvoor ik u beiden uitnodig.’

De generaal leeft op. Hij pakt mijn handen vast en begint me uitvoerig te bedanken. 

‘Maar laat ik u niet de hele dag bij de roulette zien vanwege haar.’

‘Natuurlijk niet,’ bezweert hij me.

Ik neem afscheid en verlaat het Casino. Is het niet merkwaardig dat me in de korte tijd dat ik in Monte-Carlo verblijf, al zoveel verhalen van tragische liefdesaffaires ter ore zijn gekomen? In de speler moet een merkwaardige versmelting plaatsvinden van de liefde voor een vrouw en de liefde voor Vrouwe Fortuna. Is de speler per definitie een hartstochtelijker persoon dan de niet-speler? En opnieuw stel ik me de vraag of het niet mooier is aan een brandende hartstocht tenonder te gaan dan ervan af te zien in de wetenschap dat elke hartstocht ten slotte meer leed dan geluk oplevert. Ik loop de laan met palmen uit die naar mijn hotel leidt. In een van de open rijtuigen die voorbijkomen zie ik de Française aan wie ik door Pousinsky ben voorgesteld. Ik besluit een boek op te halen en een plekje aan de boulevard te zoeken om een paar uur te lezen. 

 

De generaal betreedt de eetzaal in gloednieuwe avondkleding met een groot aantal opgespelde lintjes. Ik heb er bij de tafelschikking voor gezorgd dat hij naast de Française komt te zitten. We zijn met zijn achten en ik heb mezelf een plaats aan de andere zijde van de Française toebedacht, zodat ik de verwikkelingen tussen haar en de generaal op de voet zal kunnen volgen. Nadat het voorgerecht, een zalmmousse met dillesaus, is opgediend en er voor het eerst getoost is, breekt de conversatie in alle hevigheid los. De Engelse industrieel met wollige bakkebaarden die tegenover me zit, poneert de stelling dat de croupiers een invloed kunnen uitoefenen op de loop van het spel. Niemand gelooft hem.

‘Onzin,’ zegt de generaal. ‘Dan kunnen ze toch stromannen inzetten die enorme winsten opstrijken?’

‘Dat doen ze ook. Maar zo dat niemand het merkt,’ zegt de Engelsman.

Een Fransman, net als ik een niet-speler, beweert dat hij in het Casino een Russische zonderling met haren tot op zijn schouders heeft gezien, die met uitpuilende ogen via telekinese het balletje wist te leiden naar het vakje met het getal waarop hij had ingezet. Na een week hebben ze hem vermoord in een achterafsteegje in Nice gevonden. Zijn ogen ontbraken.

‘Zou iemand ze nog hebben willen gebruiken?’ vraagt de Française.

‘Wie weet,’ zegt de Fransman. ‘Volgens mij zijn velen hier tot alles in staat, als ze maar de hoop kunnen koesteren te winnen.’

‘Dat soort onzin is niet nodig, als je een goed systeem hebt,’ zegt de generaal.

‘Waarom heeft u dan zoveel verloren?’ vraagt de Fransman.

De generaal bloost en drinkt zijn glas witte wijn in één teug leeg.

‘Ik heb vandaag een niet onaardige winst geboekt,’ pareert hij. ‘Ik heb mijn systeem een beetje aangepast en ik ben er zeker van dat er voor mij gouden tijden aanbreken.’

Hij werpt een schichtige blik zijwaarts naar de Française die de ober wenkt om de glazen op tafel bij te vullen.

‘De speler probeert het noodlot te tarten en te overwinnen. Dat is zijn klassieke heldenrol. En net als in de eeuwenoude verhalen zal deze tragische held het onderspit moeten delven. U bent waarschijnlijk de enige in dit gezelschap die daar volmondig mee instemt,’ zegt de Fransman, terwijl hij in mijn richting kijkt. 

‘Een heldenrol ligt ons beiden blijkbaar niet,’ antwoord ik.

‘U zegt het alsof u het betreurt.’

‘Juist,’ zegt de generaal. ‘Marcellus benijdt de spelers diep in zijn hart. Hij is een toeschouwer van het leven, zonder dat hij eraan deelneemt.’

‘Ik denk dat u deels gelijk heeft,’ zeg ik. ‘Maar misschien brengt mijn beroep dat met zich mee.’

‘In Rusland hebben we grote schrijvers die spelen als gekken. Ik heb er een ontmoet in Baden-Baden.’

‘Dan zal het wel eerder een kwestie van temperament dan van beroep zijn,’ zeg ik.

Het hoofdgerecht wordt opgediend. Karaffen rode wijn worden door de ober op een bijzettafeltje geplaatst. Pousinsky richt zijn aandacht op de Française en ik raak met de Fransman in gesprek over de situatie van het toneel in zijn land. Uit mijn ooghoek zie ik dat de wijnkelner om de haverklap de glazen van de generaal en zijn buurvrouw moet vullen. Naarmate het diner vordert worden ze amicaler. De Française begint scabreuze grappen te maken en de generaal probeert er steeds nog een schepje bovenop te doen. De rest van het gezelschap heeft zich de drank ook laten welgevallen. Af en toe lijkt het alsof iedereen alleen maar zelf zo lang en luidruchtig mogelijk aan het woord wil zijn, zonder naar de anderen te luisteren. De generaal is dronken geworden en zit herhaaldelijk te frunniken aan de Française. Ze heeft een rood aangelopen hoofd en barst om de zoveel tijd in een schaterbui uit. 

‘En nu wil ik eindelijk weleens zien wat u in uw zwarte medaillon verbergt,’ hoor ik de generaal paaien. 

Ik draai me naar hem toe. 

‘U gaat te ver,’ zeg ik.

‘Nee, nee,’ kraait de Française. ‘Geheimen zijn er om onthuld te worden.’

‘Mag ik het openen?’ vraagt Pousinsky met een brede grijns op zijn gezicht. 

‘Eerst raden wat erin zit.’

De industrieel met de bakkebaarden bemoeit zich ermee: ‘Een Engelse lord met een engelengezicht.’

‘Een jonge officier,’ zegt de generaal.

Chou-chou,’ zegt de Française.

‘Pardon?’ 

Op het verschrompelde gezicht van de generaal verschijnt een kinderlijke gelukzaligheid.

‘Mijn chou-chou,’ zegt de Française. ‘Een foto van mijn chou-chou.’

Iedereen begint te lachen. Pousinsky verschiet van kleur. Men begint door elkaar heen te roepen.

‘Ik gok op een markies.’

‘De paus.’

‘Een balletdanser.’

‘Een harembezitter, een muzelman.’

De generaal is van zijn schaamte bekomen en tast brutaal naar het medaillon.

‘Ik ga het onthullen!’ roept hij.

Met trillende vingers peutert hij aan het sluitinkje en opent het sierplaatje. Hij buigt voorover en blijft secondenlang verbijsterd naar de minuscule foto staren.

‘Nou, wie is het?’ wordt geroepen.

‘Wel heb ik ooit,’ stamelt hij.

‘Mogen wij het nu eindelijk ook eens weten?’

‘Het is een...’

‘Het is vast een spiegeltje! Hij kijkt zo verliefd!’

‘Het is een hondje,’ zegt hij en laat de medaillon los.

‘The bloody limit!’ roept de Engelsman. 

Ook hij heeft te veel gedronken en ik zie aan zijn grijnzende gezicht dat hij ternauwernood een schunnige opmerking kan inslikken.

De Française bekijkt ontroerd het fotootje en zucht: ‘Chou-chou.’ De ober vult voortdurend de glazen bij en de gesprekken nemen een steeds rumoeriger wending. Af en toe merk ik dat de generaal en de Française samenzweerderig zitten te smoezen. Ze geven te kennen dat ze willen vertrekken, voordat de koffie en de cognac geserveerd worden. De generaal zal de Française naar huis begeleiden. Ze bedanken me uitvoerig en verlaten het hotel.  

 

‘Faites vos jeux, Messieurs.’

Ik dring naar voren, totdat ik vlak achter Pousinsky sta. Hij zet een handvol louis-d’ors in op rood.

‘Rien ne va plus!’ 

Het heeft een aantal dagen geleken alsof de generaal een tweede jeugd doormaakt, maar daarna is hij stiller en afstandelijker geworden. Het is duidelijk dat de Française haar eisen is gaan stellen, want hij vergokt grote bedragen aan de speeltafel.

‘Ik ga winnen,’ heeft hij me gisteren half verdoofd te kennen gegeven.

‘U moet winnen, vanwege de Française,’ heb ik geantwoord. Hij heeft zich kwaad omgedraaid en is weggelopen.

Het balletje rolt in een rood vakje. De generaal laat de winst staan. Opnieuw komt rood uit. Hij verschuift de inzet plus de winst naar zwart. Hij wint en laat weer alles staan. Ook nu komt zwart uit. Hij neemt de berg goudstukken van de tafel en draait zich om.

‘Marcellus,’ zegt hij zonder veel enthousiasme. ‘Heeft u het gezien? Mijn systeem begint vruchten af te werpen. Ik tracteer u op een drankje.’

Hij bergt het geld op in zijn zakken en we lopen naar de muziekzaal. 

‘Waarom loopt u aldoor als een chaperonne achter me aan?’ vraagt hij, als we aan een tafeltje zijn gaan zitten. ‘U wilt me zeker weer waarschuwen voor slechte vrouwen en de valkuilen van het spel?’

‘U moet ophouden met spelen,’ zeg ik. ‘U weet net zo goed als ik dat u uiteindelijk al uw geld zult verspelen en daarmee ook de Française.’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordt hij bits. ‘En u weet evengoed als ik dat ze madame Aubin heet. Waarom noemt u haar toch steeds de Française? Wat wilt u daarmee suggereren? Dat ze er zo eentje is waarvan er hier velen rondlopen?’ 

‘Dat beweer ik niet.’

‘En dan zal ik u nog eens iets vertellen. Ik hoop dat u het goed in uw oren knoopt en me verder met rust laat. U brengt me ongeluk. U maakt van spelers verliezers met uw moralistische praatjes. U praat mensen de afgrond in.’

‘U heeft zojuist anders gewonnen, terwijl ik achter u stond.’

‘Omdat ik u niet had opgemerkt. Ik heb gewonnen ondanks uw aanwezigheid.’

We zitten een poos zwijgend naast elkaar. Ik weet niet wat ik nog tegen hem moet zeggen. Hij heeft zich zo vastgebeten in de overtuiging dat ik een blok aan zijn been ben bij zijn onvermijdelijke overwinning in het spel en de liefde, dat ik me moedeloos ben gaan voelen. Soms bespeur je in de aanwezigheid van iemand bijna fysiek de ondergang die hem te wachten staat. Van het aardbeiengezicht van de generaal valt zijn nabije val af te lezen alsof het er opgeschreven staat. Hij staat op en reikt me de hand.

‘Ik hoop dat u me met rust laat,’ zegt hij en verdwijnt naar de Grote Speelzaal.

 

Ik vergeet Pousinsky een tijdlang, omdat me iets onverwachts overkomt. Ik ontmoet een vrouw die me voor het eerst sinds Christine’s dood niet onverschillig laat. Ze heet Rosina en komt uit Napels. We maken lange wandelingen langs de zee en spreken over toneel en literatuur. Ze heeft filosofie gestudeerd in Rome en blijkt een opzienbarende studie gepubliceerd te hebben over Beatrice uit Dante’s Divina Commedia. Haar familie is steenrijk. Ze kan veel drank verstouwen, wat ze dan ook bijna elke avond doet. Nooit zie ik haar dronken. Pas na dagen kom ik erachter dat ze speelt. Als ik er met haar over spreek, verbaast ze zich erover dat ik me erover verbaas. Ze heeft verwacht dat ook ik speel. Het meest schokkende voor me is dat ze het niet voor me verborgen heeft willen houden - iets dat ik in eerste instantie dacht -, het is voor haar volstrekt natuurlijk. 

‘U heeft toch ook geld?’ vraagt ze. 

Langzaam ontglipt ze me, omdat we elkaar leren kennen. Ze heeft geen moraal en geen wereldbeschouwing. Tenzij dat ze er geen wil hebben. Ze legt haar leven in handen van het toeval. Alles wat ze op haar weg tegenkomt vindt ze mooi en geweldig. Ze puurt uit alles een reden om te leven. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die op zo’n onvoorwaardelijke manier het optimisme omhelst. Ze wil ook schrijver worden, maar dan pas over dertig jaar. Ik word verliefd op haar, om een volstrekt duistere reden. Niet omdat ze mooi is. Ik ken de verraderlijkheid van de schoonheid. Ik haat de schoonheid die niets anders dan dat is. Ze is briljant, maar op een volkomen onvruchtbare manier. Ik doe geen oog meer dicht, totdat ik ontdek dat ze met andere jonge mannen omgaat die spelen en die daarom voor haar intrigerender zijn. Ze vindt mij een oude man.

Nadat ik haar met een bovenmenselijke krachtsinspanning heb losgelaten, komt Pousinsky terug in mijn gedachten. Ik informeer naar hem en verlang ernaar hem opnieuw te ontmoeten. Hij heeft een tijdlang zijn intrek genomen in het optrekje van de Française, ergens aan de kust. Daarna is hij naar een goedkoop hotel in Monte-Carlo verhuisd. De Engelsman vertelt me dat hij veel geld verloren heeft en er wordt zelfs gezegd dat hij een pistool heeft gekocht. Mijn pogingen met hem in contact te komen mislukken. In het Casino keert hij me de rug toe en daarbuiten is hij onvindbaar. Als ik in de speelzaal kom, zie ik vaak zijn kromme rug bij de groene tafels. Ik durf hem niet meer aan te spreken. Als een levende dode dool ik door de zalen. Een enkele keer kom ik de Française tegen die me vriendelijk groet, maar nooit aanstalten maakt om me aan te spreken. Ik raak vervreemd van mijn oude kennissen. In mijn hotel maak ik de aantekeningen die moeten leiden tot een drietal novellen. Soms ga ik dagenlang niet naar het Casino. Daarom duurt het een hele tijd voordat ik er achter kom, dat de generaal uit Monaco is vertrokken. Ik zoek de Engelsman op om het fijne van de zaak te achterhalen. 

‘Het geluk heeft hem toegelachen,’ zegt hij. ‘Of zijn systeem heeft gewerkt, zoals hijzelf beweerde.’

‘U bedoelt dat hij gewonnen heeft?’

‘Dat is zacht uitgedrukt. Hij heeft een fortuin gewonnen en is met madame Aubin naar Parijs vertrokken.’

Natuurlijk ben ik blij voor hem. Uiteraard kan het feit dat hij me ontlopen heeft geen invloed hebben gehad op de gunstige ommekeer in zijn lot. Dat kan ik niet geloven. Toch blijft de geschiedenis aan mijn ziel knagen. Als ik op een avond Rosina aan de speeltafel ontdek en zie met welk plezier ze, omringd door vrienden, de grillen van het lot volgt, maakt een beklemming zich van me meester en ik druip af naar mijn hotel. Ik besluit de rekening te laten opmaken en de volgende dag te vertrekken.