GEDIchTEN

gedichten
De bedwelmingsman.jpg
Een%20uil%20in%20de%20zon_edited.jpg
Lijkenbitter.jpeg
 
DE BEDWELMINGSMAN VERROERT ZICH
(2018)
De bedwelmingsman.jpg

'Deze poëzie gaat op zoek naar wat zich aan taal onttrekt omdat het niet herinnerd kan worden, naar een wereld van dromen en visioenen die weinig met overbelichte familiekliekjes te maken hebben. De bedwelmingsman uit de titel is een magiër en een sjamaan, een voodoopriester op paddo's. Hij drogeert zichzelf om ons te bedwelmen, ons mee te nemen in zijn roes van kleuren, geuren en geluiden.'

- Piet Gerbrandy in de Poëziekrant

‘Je laat je meevoeren met deze muzikale en ritmische verzen. Een bundel indrukwekkende gedichten.’

-Pieter Windhorst in LeesKost

http://www.leeskost.nl/2018/09/de-bedwelmingsman-verroert-zich/

Er zijn van die herinneringen aan ogenschijnlijke toevalligheden die onverwacht in onze herinnering kunnen opduiken. ‘Lichtmomenten’ noemt Hans Dekkers ze: herinneringen met een verhoogde realiteit, herbelevingen waarin iets stolt wat zich in de tijdelijkheid heeft voltrokken. We beschouwen ze als het fotoalbum van onze ziel. Zijn ze ons houvast, onze redding? Of zijn ze uiteindelijk onze ondergang, omdat we geneigd zijn ons eraan vast te klampen?

‘Fysiek, dierlijk bijna, uiterst sensueel.’

‘We hebben ze nodig, dichters als Dekkers. Anders slibt onze taal dicht.’

-Koen Eykhout in De Limburger

 

‘Het is geen bundel om in één ruk uit te lezen maar een nachtkastjesbundel, in zeer positieve zin. Elk gedicht verdient het dat je het rustig op je laat inwerken (…) Ontroerende bundel.’

- Louis Smit, NBD Biblion

‘Hans Dekkers zet in deze bundel bijzondere momenten op de kaart, hij ontdwelmt ons en laat ons zien dat ontroerende momenten in kunst, muziek ook, maar vooral in relaties niet zo bijzonder zijn als we denken. Hoe is het mogelijk, dacht ik na lezing, dat er geen enkel zwak gedicht in deze bundel staat? Een prestatie!’

- Karel Wasch op poezie-leestafel.nl

http://www.poezie-leestafel.info/hans-dekkers


 

- Remco Ekkers in Tzum: https://www.tzum.info/2018/08/recensie-hans-dekkers-de-bedwelmingsman-verroert-zich/

LIJKENBITTER
(2013)

Opnieuw gaat Hans Dekkers in zijn gedichten op zoek naar de ‘openbaringen, lichtmomenten, zuivere tijd’ uit het laatste gedicht van zijn vorige bundel Een uil in de zon. De plekken waar hij deze vindt treft hij niet alleen aan in het werk van kunstenaars, componisten en schrijvers, maar ook op geografische plekken, die in de herinnering bezielde plekken worden. Glanzende kiemcellen waar de verbeelding wortel kan schieten en waar het gedicht een ‘spirit of place’ blootlegt. In het hart van de bundel staat de cyclus ‘Lijkenbitter’, over een drank der dranken. Dit elixer wekt de doden tot leven en roept de ziel van het verleden op.

‘Als dichter manifesteert Hans Dekkers zich pas de laatste jaren, maar een bescheiden beginneling is hij niet. Zijn gedichten zijn hevig, plastisch, steken niets onder stoelen of banken. Zijn jongste bundel Lijkenbitter levert visioenenkunst van de bovenste plank. Dit is pulserende, zweterige poëzie, vol snelheid.’

- Rob Schouten in Vrij Nederland

 

‘Kortom, Lijkenbitter is een robuuste dichtbundel met een gitzwarte ziel en een stem als een klok: ideaal poëtisch leesvoer op een sombere dag voor de lezer met een hang naar donkere romantiek.’

- Fleur de Meyer, de Poëziekrant

Lijkenbitter.jpeg

‘De poëzie van Hans Dekkers is zwaar en rauw en ruig, en wat vuil en smoezelig – ze is vet aangezet, smeuïg en stroperig, en stinkt naar smeerolie, rookwalm en kadavers. Ze is zwartromantisch, op het gotische af.

Daarvan getuigt al de titel: Lijkenbitter. Deze doet denken aan zwarte magie en alchemie, aan duivelskunst, het brouwen van een duistere drank om af te dalen in de krochten en spelonken van het onderbewustzijn, om hallucinaties op te wekken of – wie weet – diepe inzichten te verkrijgen of het leven te verlengen.’

- Willem Thies, De Contrabas

 

 

 
 
EEN UIL IN DE ZON (2010)

‘Ik beweerde al dat Hans Dekkers onmodieuze poëzie schrijft. Op deze plaats wil ik dat omschrijven met: zijn betrokkenheid is van alle tijden. Het belang van deze poëzie is wat mij betreft daarmee aangegeven.’ 

(Peter van Lier, ‘Vanuit de duisternis’ in De Reactor)

 

‘Uit zijn worsteling met duisternis en taal peurt hij zijn regels, uit zijn “heksensoep” borrelen werkelijk bedwelmende gedichten op. Bedwelmend, fascinerend, overtuigend.’

(Thomas Möhlmann, ‘Een scheur in de nacht’ in Awater)

 

‘Lyrisch uitwaaierende, romantische, maar niet sentimentele poëzie.’

(Trouw)

 

‘Krachtige, zintuiglijke taal die verwoordt wat anders verzwegen blijft.’

(De Limburger)

 

‘Herkenbaar en diepgaand suggestief.’

(Klaas Fraanje, Reformatorisch Dagblad)

 

‘Ambitie en, nog belangrijker, schwung, dat heeft Hans Dekkers. Met Een uil in de zon levert hij een staalkaart van mogelijkheden af: lange gedichten en korte (van soms maar enkele woorden), strofische en zonder witregels, maar steeds is zijn taal krachtig, grijpend naar originele combinaties van woorden, gedurfde beelden.’

(Albert Hagenaars, NBD|Biblion recensie)

De stormlampen, de lichtkogels

 

 

So blau, so blau… Hans listened by the fire,

New stars that were a foot across came out

And shone.

Wallace Stevens

 

 

Het rot in de windingen en windsels.

Ik wil me bedrinken, maar darmkrampen

weerhouden me en ik blaas bellen 

in modder. De wind giert.

In de nacht komen ze. De stormlampen, 

de lichtkogels, de vlaggen. Aan de muren 

hangen foto’s van dode koeien 

en filmsterren. De boer roert roet 

door zijn gras en hooi, is onvermoeibaar in de weer 

met inkt, acetyleen en zwartsel. In al zijn heimelijke 

stallen riekt het naar vliegende geest en rook.

De overalls naar oude kaas en etter.

De man is vastbesloten dat alles 

wat hier wordt verminkt,

vermengd en ingespoten

moet rijpen in dat ene. 

Zijn bijslaap is verrotting,

zijn exaltatio een koude spiegel.

Konijnenkadavers kwijlen in onze bek.

Mijn Bruid, waar is je schrijn voor mijn extase?

De vreetklok kondigt aan: pekelvlees, spek en stokvis.

Jij kondigt aan: kromsluiting in de ijzers. 

Olielampen walmen. Ik verdien ranseling op ranseling.

Blake schreef dat de uil wil dat alles wit is.

Toch vallen er asregens en dansen geblakerde 

ledenpoppen met verkoolde handschoenen. Heiligen 

bidden gemaskerd met een roetkap. Ik misbruik 

de zwarte wonden, want geopend verspreiden ze 

een schitterend licht. In een auto knipoogt 

een kale sjamaan. Ik zing, verzwelg 

overrijpe hartstochten. Sommige dingen 

verontrusten me. Belletjes in een geleegde 

witte-bonenpot. Vette vingers op glas. 

Sleetse plekken op een leren jasje.

Een afgeknaagd potlood. En in een hutkoffer 

op een stoffige zolder een nooit verstuurde brief.

Deze dingen komen pas tot leven als we ze 

wegmaken en als peulen begraven.

Daar rammelt hun rauwe klop.

Een syntax druppelt gal in onze redeneringen. 

Het gedicht sterft jong en lost op. 

We willen openbaringen, lichtmomenten, zuivere tijd. 

Bij begrafenissen zijn wij de buiksprekers.

En nu is het plotseling stil.

Duisternis roept.

We verlangen naar een zon die ons opslokt.

 
BANJOMAN (2006)

Incantaties, incarnaties, zielsverhuizingen. Ze vormen de kern van de gedichten van Hans Dekkers, waarin nieuwe en verloren werelden worden op- en aangeroepen. Met een gulzigheid die het lege heden moet vullen wordt het verleden geplunderd. Tijdens zijn zwerftocht kruist de lezer het pad van uiteenlopende wezens als Cleopatra, Hadewych, Jan Ockeghem, Gabriele d’Annunzio, Clara 8 en de moordenaar van Versace om uit te komen bij de even ongrijpbare als eetbare banjoman.

BANJOMAN.jpg

‘... sublieme verbeeldingskracht ... overweldigend en prachtig ...’

(Peter Jongsma, Meander Magazine)

‘Onheilspellende sfeer lokt de lezer steeds Hans Dekkers’ poëzie binnen.’

(Piet Gerbrandy, De Volkskrant)

‘Fascinerende reis door donker universum.’

(Willem Kurstjens, De Limburger)

‘We hebben er met Dekkers een echte dichter bij.’ (Thomas Möhlmann, Awater)

‘Dekkers lijkt in zijn gedichten een andere wereld te beschrijven, die gek genoeg dichter bij ons lijkt te komen dan de werkelijke wereld. Hij verstaat de kunst taal aan te wenden om de mix van droombeelden, bewuste en onderbewuste emoties uit te drukken.’

(Laura Stamps, 8WEEKLY)

uit Kustfragmenten, door Piet Gerbrandy (Hollands Maandblad, 2007, no.6/7):

 

In Banjoman (2006) van Hans Dekkers staat een reeks die ‘Schippers naast God’ heet, een titel die associaties oproept met de scheepsjongens van Bontekoe en Heijermans’ Op hoop van zegen. Het laatste gedicht van de afdeling heet ‘Rouwende moeder’, een verwijzing naar de mater dolorosa uit de christelijke iconografie. In de context van de reeks denk je in eerste instantie aan een vissersvrouw die vindt dat de vis duur betaald wordt. Het gedicht biedt echter iets anders:

 

Bij nacht en ontij werpt zij 

verzwolgen zonen op haar kusten, 

opgeblazen vadsig vlees

op een inktwit strand geslingerd.

Hij ligt daar als een dode vis, de eens

zo woeste bonk, de lang vervloekte wildebras,

de hondshaai met het lepe oog.

De moeder treurt nu zij haar kroost

zo onflatteus heeft teruggeschonken

aan onbeduidend land.

Haar handtekening daarop 

een afgeschreven misbaksel,

onleesbaar woord en waterig schriftuur.

Ze buigt voorover en luistert, 

hoort alleen het ruisen van zichzelf.

 

De mater dolorosa is de zee zelf, die treurt om wie of wat zij op het strand geworpen heeft – een schipbreukeling of een vis, beide mogelijkheden worden door het gedicht open gehouden. De laatste vijf regels vertellen nog iets anders. De geboorte van het kadaver wordt voorgesteld als een schrijfproces. Het lijk op het strand is een onleesbaar gedicht, dat alleen door de zee zelf begrepen kan worden.

En zo is het. Schrijven is aanspoelen en vergaan. Aas worden. Of opdrogen en een nieuw leven beginnen in een element dat ons vreemd is. Letters zijn wrakhout op het strand, spolia voor de juttende lezer, scherpe schelpen onder de voetzolen van spelende kinderen. Poëzie zoekt naar wat ons ontbreekt en evenzeer naar wat ons breekt.